• Jongeren

Hieronder vindt u de samenvatting van dit kennisdossier. Deze en het complete dossier kunt u hieronder ook downloaden.

Opgesteld door
  • André Weel
  • Cecile van der Velde
  • Jodokus Diemel
  • Linda Buijk

Wat is het probleem met jongeren?

Dit dossier Jongeren beschrijft de risico’s in het werk die er kunnen zijn voor jongeren, waarmee gedoeld wordt op de levensfase van 12 tot en met 24 jaar. Vanaf 12-jarige leeftijd mogen jongeren in meer of mindere mate ‘werkzaamheden’ ofwel ‘arbeid’ verrichten. Voor jongeren die deelnemen aan het arbeidsproces kent de Nederlandse wet diverse beschermende bepalingen voor leeftijdsgroepen tot 18 jaar. Deze zijn vooral gebaseerd op hun verminderde belastbaarheid, vanwege de nog onvoltooide lichamelijke ontwikkeling en vanwege de kwetsbaarheid van groeiende weefsels. Dit dossier richt zich op twee aandachtsgebieden waarin jongeren in werksituaties verschillen van volwassenen: de belastbaarheid en het (risico)gedrag.

Volwassen maar niet volgroeid

Met 18 jaar is eenieder volgens de Nederlandse wet meerderjarig, en daarmee verantwoordelijk voor de eigen daden. Het is echter niet zo dat een jongere zich bij die leeftijd ook altijd verantwoordelijk opstelt. Er is alleszins reden om ook na hun 18e verjaardag extra aandacht te besteden aan jongeren in werksituaties en te meer als dat werksituaties zijn, waarin zij worden blootgesteld aan risico’s. Dit dossier volgt in de afbakening van de groep ‘Jongeren’ de recente wetenschappelijke inzichten (Nelis en Van Sark, 2010) die aangeven dat het brein pas rond het 25ste levensjaar volgroeid is en dat dit gevolgen heeft voor het gedrag dat jongeren vertonen, onder andere in het omgaan met risico’s.

Lichamelijke ontwikkeling

De lichamelijke ontwikkeling van jonge volwassenen is op het 18e levensjaar nog niet afgerond. Het lichaam groeit nog enkele jaren door. Niet alleen het spierstelsel en het skelet nemen ontwikkelen zich daarna nog verder. Pas op ongeveer 25-jarige leeftijd zijn jongeren fysiek gezien volledig uitgegroeid tot volwassenen. Dat heeft gevolgen voor de risico’s die zij ondervinden: hun nog groeiende lichaam is kwetsbaarder bij fysieke (over)belasting en gevoeliger voor de schadelijke werking van een aantal gevaarlijke stoffen. Dat hun lichaam, met name het ‘brein’, nog niet volgroeid is, heeft ook gevolgen voor de mate waarin jongeren als geestelijk volwassen kunnen worden beschouwd.

Geestelijke ontwikkeling

Ook de ontwikkeling van ‘het brein’ (de fysieke delen van de hersenen en de denkvermogens die daarmee samenhangen) gaat nog door tot ongeveer 23 á 25-jarig leeftijd. Juist na het 18e levensjaar vindt er nog rijping plaats van hersengebieden die onder andere een rol spelen bij het beoordelen en beleven van risicovolle situaties, bij planning op langere termijn en bij de beleving van beloning en straf. Daarbij komt, dat jongeren nog vaak moeite hebben met het beoordelen van sociale tekens van anderen, met name gezichtsuitdrukkingen worden niet altijd juist geïnterpreteerd. Dat kan een rol spelen bij (mis)communicatie op het werk. Daarnaast vindt de geestelijke ontwikkeling van jongeren plaats door het opdoen van ervaringen. Het gebrek aan levenservaring kan voor jongeren ook in werksituaties doorwerken en van invloed zijn op hun gedrag ten aanzien van risico’s. 

Jongerencultuur

Behalve de individuele ontwikkeling, kan in sommige jongerenculturen druk vanuit de ‘peergroep’ een rol spelen om bepaald gedrag te vertonen en grenzen te verkennen of te overschrijden. Het bijhouden van de diverse ‘social media’ kan ten koste gaan van de nachtrust en daarmee van het concentratievermogen op het werk. Zo kan er een verhoogd risico ontstaan bij werkzaamheden in risico houdende situaties of met gevaarlijke apparaten en machines. Ook problemen in hun privésituatie kunnen bij jongeren, die doorgaans emotioneel minder stabiel zijn dan volwassenen, aanleiding geven tot verzuim of kunnen meespelen in hun gedrag ten aanzien van risico’s in het werk.

Belasting en belastbaarheid

Belastbaarheid is de (fysieke, mentale, psychosociale enz.) belasting die een persoon vanuit zijn persoonlijke kenmerken en ontwikkeling kan dragen. De belastbaarheid bij jongeren is dus lager dan bij volwassenen doordat hun bewegingsapparaat (skelet en spierstelsel) maar juist ook het biologisch neurologisch systeem in de hersenen nog niet zijn volgroeid. Het gaat dus om risico’s met betrekking tot fysieke, fysische, chemische en biologische factoren in het werk maar ook om de psychosociale arbeidsbelasting. Omdat de belastbaarheid bij jongeren anders en in sommige opzichten lager is dan bij volwassenen, hebben bestaat er kans op stress door psychosociale arbeidsbelasting. 

Risico’s en risicogedrag

Dit dossier Jongeren beschrijft daarom niet alleen specifieke risico’s voor jongeren in werksituaties, maar ook hoe de ontwikkeling van jongeren van invloed is op hoe zij werken en hoe zij in het werk omgaan met risico’s. Het feit dat jongeren tot hun 25e levensjaar zowel lichamelijk als geestelijk nog in ontwikkeling zijn, leidt ertoe dat er bij deze groep een andere benadering van arbeidsrisico’s dient te worden gehanteerd dan bij volwassenen. Het gaat daarbij enerzijds om extra bescherming, vanwege de lagere belastbaarheid van jongeren, die overwegend wordt beïnvloed door de lichamelijke ontwikkeling. Anderzijds gaat het om het beïnvloeden van hun gedrag ten aanzien van risico’s. Dat gedrag wordt beïnvloed door de ontwikkeling van ‘het brein’ (hersengebieden en hersenfuncties) en door leer- en ervaringsprocessen, maar ook door de cultuur en de peergroep waar jongeren deel van uitmaken. De benadering die gekozen wordt bij begeleiding, voorlichting, instructie en toezicht van jongeren moet met die verschillende invloeden rekening houden. 

Hoe groot is de problematiek?

Aantallen

Medio 2011 zijn er van de totale Nederlandse bevolking 11 miljoen mensen tussen 15 en 65 jaar. De beroepsbevolking in die leeftijdcategorie bestaat uit 7,8 miljoen personen. De groep ‘jongeren’ van 15 tot 25 jaar bestaat in totaal uit ca. 2 miljoen personen (1,02 miljoen mannen, 0,99 miljoen vrouwen), waarvan er 0,75 miljoen gerekend worden tot de ‘werkzame beroepsbevolking’. De overige 1,18 miljoen betreft voornamelijk jongeren die leerplichtig zijn. Bijna tweederde van de werkzame jongeren heeft een vaste arbeidsrelatie, ongeveer éénderde heeft een flexibele arbeidsrelatie en er zijn 33.000 zelfstandigen. Verder zijn er 82.000 jongeren die behoren tot de ‘werkloze beroepsbevolking’.

Sectoren en beroepen

Jongeren werken meer dan gemiddeld over de beroepsbevolking, in de sectoren ‘landbouw, bosbouw en visserij’, in de bouw, de commerciële dienstverlening, ‘handel en reparatie’, horeca en ‘milieu, cultuur, recreatie en overige dienstverlening’. Ten opzichte van de totale beroepsbevolking zijn er relatief meer werkende jongeren met lage en middelbare opleiding. Het zijn ook de beroepen met lage en middelbaar opleidingsniveau waar zich de meeste risico’s op ongevallen voordoen. 

Om welke problemen gaat het?

Ongevallen

Jongeren zijn vaker dan volwassenen slachtoffer van ongevallen, zo blijkt uit cijfers van het CBS. Anderzijds zijn ouderen minder vaak betrokken in ongevallen maar wel vaker het slachtoffer zijn van dodelijke ongevallen. Hier zijn verschillende verklaringen voor. De meeste theorieën geven aan dat jonge werknemers onvoldoende ervaring hebben, nog in ontwikkeling zijn en dikwijls werken op onregelmatige tijden en in gevaarlijke of ongezonde functies. Jongeren tussen 15 en 25 jaar werken vaker dan de gemiddelde beroepsbevolking in de avond en ‘s nachts en in het weekend.

Fysieke schade

Daarnaast kunnen bepaalde risico’s in het werk voor jongeren een ernstiger bedreiging vormen dan voor volwassenen, juist omdat jongeren nog ‘in de groei’ zijn. Weefsels die groei vertonen (waaronder spieren, skelet, hersenen, geslachtsorganen) zijn kwetsbaarder voor bepaalde risico’s dan weefsels die niet meer groeien. Het gaat dan om ‘harde’ risico’s zoals fysieke belasting, ioniserende straling, schadelijk geluid, lichaamstrillingen, hand-arm-trillingen, CRM-stoffen en diverse categorieën gevaarlijke stoffen, biologische agentia.

PSA-belasting

Anderzijds ondervinden jongeren ook vaak meer psychosociale arbeidsbelasting dan volwassenen. Jongeren kunnen vaker dan volwassenen werkdruk ervaren, doordat ze vaak nog niet in staat zijn om een goede planning te maken. Daarnaast speelt dat jongeren vaak in banen werken waar ze minder autonomie hebben en minder feedback krijgen op hun functioneren. Ook dat kan leiden tot stress. Het is voor werkgevers zaak om een goede balans te vinden tussen sturing en begeleiding van jongeren en het bieden van voldoende vrijheid en autonomie. 

Seksuele intimidatie, agressie en geweld

Jongeren krijgen vaker dan volwassenen te maken met vormen van ongewenst gedrag, met name van seksueel getinte aandacht. Jongeren zijn een gemakkelijk slachtoffer, omdat zij seksualiteit nog aan het ontdekken zijn en bovendien doorgaans nog moeten leren om grenzen te stellen (terwijl hun brein daar vaak nog niet aan toe is). Maar jongeren ondervinden ook meer agressie of geweld dan ouderen.

Gezondheidsproblemen

Wanneer het gaat om gezondheidsproblemen onder jongeren gaat het in de meeste gevallen om een verstandelijke beperking of een ontwikkelingsstoornis zoals autisme of ADHD. Somatische problematiek komt eveneens voor, in de vorm van een chronische aandoening of als beperkingen na een ongeval. 

Jongerencultuur en gedrag

De nog onvoltooide ontwikkeling van bepaalde hersenfuncties speelt een rol bij de beoordeling en de beleving van risicovolle situaties. Jongeren zijn zich door gebrek aan ervaring of doordat hun ontwikkeling nog niet is voltooid, vaak niet bewust van de werkelijke of mogelijke risico’s op het werk. Anderzijds gaat het bij risico’s en de beleving en beoordeling ervan, gedeeltelijk ook om psychosociale aspecten die samenhangen met jongerencultuur en –gedrag en deels ook met de ontwikkeling van de seksualiteit en van het zelfbewustzijn.

Wat zegt de wet erover?

Voor jeugdigen (jongeren tot 18 jaar) kent de Nederlandse wetgeving diverse verbods- en gebodsbepalingen, onder andere in de Arbeidstijdenwet en in de Arbowet. Voor jongeren tussen 18 en 25 jaar kent de wet geen specifieke bepalingen, zij worden als volwassenen beschouwd. Kinderen onder de 16 jaar mogen alleen werken buiten schooltijd of in vakanties en onder strenge voorwaarden. Tot 15 jaar is lichte (hulp)arbeid in bepaalde situaties toegestaan, maar bijvoorbeeld géén kassaverrichtingen. Vanaf 15 jaar is het toegestaan ochtendkranten te bezorgen en lichte, niet-industriële arbeid te verrichten. 

Niet elke jongere is een jeugdige

De regeling in de Arbowet komt erop neer dat werknemers onder de 18 jaar hun werkzaamheden te allen tijde uitvoeren onder begeleiding van oudere (lees: ervaren) werknemers. De wet stelt voorts beperkingen aan de verrichtingen die jonge werknemers mogen uitvoeren en aan de tijden waarop zij mogen werken (geen overwerk en niet op late tijdstippen). Werknemers jonger dan 18 jaar zijn uitgesloten van diverse ‘gevaarlijke werkzaamheden’ zoals werken met gevaarlijke machines en apparaten, werken in besloten ruimtes, duikwerk en werk onder overdruk, het besturen van transportvoertuigen en –middelen, werken met gevaarlijke stoffen. Jongeren (tot 18 jaar) mogen bij het werk niet worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen, elektromagnetische en ioniserende straling, trillingen en (gemiddelde) lawaainiveaus van 85 dB(A) of pieklawaai van 140 Pa of hoger. 

Wat is eraan te doen?

Op basis van de bevindingen in dit dossier, luidt het advies om niet alleen voor jeugdigen tot 18 jaar, maar voor alle jongeren tot 25 jaar extra aandacht te besteden aan risico’s waarmee zij in het werk te maken krijgen. 

Belastbaarheid

Voor jeugdigen tot 18 jaar geldt een aantal verbodsbepalingen en beperkende bepalingen bij het werken in omgevingen waar zij blootgesteld kunnen worden aan gevaarlijke stoffen en/of aan biologische agentia. Hetzelfde geldt voor blootstelling aan lawaai, trillingen en straling. Vanaf het bereiken van de18-jarige leeftijd worden jongeren in dergelijke situaties door de wet niet meer extra beschermd ten opzichte van volwassenen. Gezien de zich nog ontwikkelende hersenen en bijbehorende functies, maar ook omdat de lichamelijke ontwikkeling van jongeren nog doorgaat na hun 18e verjaardag, is extra aandacht en bescherming ook nog wenselijk voor jongeren tot 25 jaar.

PSA-belasting

Bij het toedelen van taken aan jongeren in de organisatie, dient het takenpakket afgestemd te zijn op de capaciteiten en ontwikkelingsfase van de jongeren. Jongeren zijn nog niet voldoende ontwikkeld om lange termijn planning goed in het oog te houden of om complexe taken goed te organiseren. Daarnaast moet ook voor ogen gehouden worden dat de werkdruk niet te hoog oploopt. Zeker wanneer een jongere buiten het werk problemen ervaart, kan hij of zij bij overmatige werkdruk op onvoorspelbare wijze reageren, hetgeen een risico voor de jongere en voor collega’s kan opleveren. 

Bronmaatregelen

In de eerste plaats geldt , dat met bronmaatregelen de blootstelling van jongeren aan gezondheidsrisico’s voorkomen of beperkt moet worden. De werkgever kan de risico’s in het werk voor jongeren elimineren, door jongeren geen werkzaamheden te laten verrichten waarbij ze risico’s ondervinden. Dit kan door het takenpakket te beperken of door de jongeren niet in te zetten in risicohoudende werksituaties, of door een combinatie van dergelijke maatregelen. 

Beperking blootstelling

Voor het elimineren of beperken van de blootstelling in situaties waar jongeren werken, komen voornamelijk organisatorische en technische maatregelen in aanmerking. Extra maatregelen voor jongeren in vergelijking met volwassenen zijn in elk geval nodig bij risico’s zoals fysieke belasting en blootstelling aan lichaamstrillingen, schadelijke straling, overdruk, gevaarlijke stoffen en biologische agentia. Als eliminatie en verlaging van de blootstelling niet of in onvoldoende mate mogelijk is, dient de duur van de blootstelling zoveel mogelijk beperkt te worden, met inachtneming van de normaal daarbij voorgeschreven beschermingsmaatregelen.

Voorlichting, instructie, begeleiding

Het geven van voorlichting en instructies over de risico’s in het werk en de manier om zich daartegen te beschermen is altijd nodig. Zeker bij jongeren is dat op zich niet voldoende. Voortdurende begeleiding en toezicht zijn bij jongeren de aangewezen weg om ze bewust te maken en te houden van de risico’s in het werk en van hun eigen gedrag in het omgaan met risico’s. Naast het geven van veiligheidsinstructies dient er voldoende toezicht te zijn op het naleven ervan. Ook nadat het veilige gedrag is aangeleerd dient de werkgever er rekening mee te houden dat jongeren nog wel eens willen experimenteren met ander (risicovoller) gedrag. Een ‘leuk’ experiment wordt soms direct uitgevoerd zonder de verdere consequenties goed af te wegen.

Risicogedrag

Om bepaald gedrag in het omgaan met risico’s aan of af te leren is het niet genoeg om alleen informatie en instructie te geven en ze verder de gevolgen van hun eigen handelen zelf te laten ervaren. Voor het aanleren van nieuw gedrag is het ook nodig om het gewenste gedrag te laten zien. Het is dus van belang dat begeleiders, leidinggevenden en collega’s van jongeren het goede voorbeeld geven. 

Wie gaan slim om met dit probleem?

Jongeren reageren sterker op positieve feedback en minder op negatieve feedback. Dat maakt ook dat ze risico’s onderschatten of over het hoofd zien. Het is vanwege dit gegeven effectief om positief gedrag van jongeren te bekrachtigen. Een compliment is in de meeste gevallen al voldoende, dat maakt dat de jongere zich gewaardeerd voelt. Hiervan kan evenwel geen 100% effectiviteit verwacht worden, omdat jongeren nu eenmaal nog vaak impulsief reageren en in hun gedrag uit zijn op onmiddellijke beloning (in de vorm van plezier).

Structuur en vrijheid

Voor een leidinggevende is het van belang om de jongeren structuur te bieden en duidelijkheid te geven. Het is ook van belang zich te realiseren dat het bioritme van jongeren daadwerkelijk anders is dan dat van volwassenen. Wil men een optimale prestatie dan kan dit beter later op de dag van jongeren gevraagd worden. Verder is het van belang om een goed evenwicht te vinden in het toezicht en de begeleiding van jongeren enerzijds en anderzijds het bieden van voldoende vrijheid binnen het takenpakket. Jongeren hebben een zekere mate van vrijheid nodig om af en toe ‘hun kop te stoten’ en om door eigen ervaringen te leren. Maar door een zekere mate van vrijheid zullen zij zich ook gesteund en gewaardeerd gaan voelen. Dat biedt de gelegenheid om hun soms tomeloze geestdrift, experimenteerdrang en creativiteit aan te wenden om hun werk goed te doen en ideeën te leveren voor verbeteringen waar ook de werkgever bij gebaat kan zijn.